KBA Nijmegen
KBA
KBA
2017

Passend onderwijs op school en in de klas

Eerste meting in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs
Smeets, E., Boer, A. de, Loon-Dikkers, L. van,  Rossen & Ledoux, G.

In 2014 is passend onderwijs van start gegaan. Onderzoekers van KBA Nijmegen werken samen met collega’s van andere onderzoeksinstituten en universiteiten aan de landelijke evaluatie van passend onderwijs. In dit onderzoeksverslag worden resultaten gepresenteerd van onderzoek naar het onderwijs aan leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Daarin is nagegaan welke randvoorwaarden van belang zijn voor passend onderwijs op school en in de klas en of deze samenhangen met het welbevinden en de leerprestaties van leerlingen. Ook is onderzocht in hoeverre leerlingen met en leerlingen zonder extra ondersteuningsbehoeften van elkaar verschillen in achtergrondkenmerken, welbevinden en leerprestaties.
 
Het onderzoek bestond uit een literatuurstudie en het afnemen van vragenlijsten, bij intern begeleiders van basisscholen en zorg- of ondersteuningscoördinatoren in het voortgezet onderwijs, bij groepsleerkrachten van basisscholen en mentoren en docenten in het voortgezet onderwijs en bij leerlingen. Ook zijn lesobservaties uitgevoerd en zijn achtergrondgegevens en toetsresultaten van leerlingen verzameld en geanalyseerd.
 
Zichtbaarheid van gunstige factoren  
Over bovenschoolse ondersteuning, zoals bovenschoolse voorzieningen of ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband oordeelt men in het basisonderwijs neutraal, in het voortgezet onderwijs wat negatiever. Ondersteuning in de school krijgen leraren vooral van  hun intern begeleider of zorgcoördinator. Extra handen in de klas ontbreken vrijwel geheel in het voortgezet onderwijs en zijn schaars in het basisonderwijs. Er is behoefte aan meer steun en aan betere faciliteiten (zoals leermiddelen en ICT-voorzieningen voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften).

De schoolcultuur wordt door leraren gemiddeld positief beoordeeld: men weet elkaar te vinden. Het oordeel over leiderschap is in het basisonderwijs positief, in het voortgezet onderwijs eerder neutraal. In het basisonderwijs wordt positief geoordeeld over het professionaliseringsbeleid op school, al zou het systematischer kunnen. In het voortgezet onderwijs is maar een minderheid positief.
 
Volgens intern begeleiders en zorgcoördinatoren zijn leraren voldoende competent op pedagogisch gebied, maar zijn ze minder sterk op didactisch gebied. Dit is bevestigd in de lesobservaties. Uit de observaties blijkt verder dat competenties voor het omgaan met de klas als geheel wat meer aanwezig zijn dan competenties in het omgaan met leerlingen die extra steun nodig hebben. Zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs beoordelen leraren hun self-efficacy als erg hoog. De meerderheid van de leerkrachten en docenten vindt dat zij goed in staat zijn om in hun les aan te sluiten bij leerlingen, dat ze leerlingen goed kunnen motiveren, en dat ze goed kunnen omgaan met storend gedrag van leerlingen.

De attitudes van leraren ten opzichte van leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften zijn overwegend positief. De meeste leraren geven aan dat zij het als een uitdaging zien om deze leerlingen les te geven. Leraren oordelen positief over de betrokkenheid van en communicatie met ouders, ook van ouders van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Op het gebied van effectieve interventies bieden leerkrachten in het basisonderwijs vooral ondersteuning aan zwakkere leerlingen door verlengde instructie in de groep  en individuele uitleg of hulp te geven. Ook geeft ruim de helft regelmatig les in instructie- of niveaugroepen. In het voortgezet onderwijs gebeurt dit veel minder.
 
Zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs zijn er significante samenhangen tussen randvoorwaarden op schoolniveau (zoals leiderschap en professionaliseringsbeleid) en het zelfvertrouwen van leraren op het gebied van het lesgeven aan leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften. Randvoorwaarden op school hangen onderling sterk samen.
 
Verschillen tussen leerlingen met en leerlingen zonder extra ondersteuningsbehoeften 
Leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften scoren significant lager bij cognitief zelfvertrouwen en welbevinden met medeleerlingen dan leerlingen zonder extra ondersteuningsbehoeften. In het basisonderwijs is er bovendien een gemiddeld lager welbevinden met de leerkracht. De gemiddelde toetsresultaten bij de leerlingen met extra ondersteunings­behoeften in het basisonderwijs liggen ook significant lager dan bij de leerlingen zonder extra ondersteuningsbehoeften. In het voortgezet onderwijs zijn de verschillen tussen beide groepen minder duidelijk, omdat ze samenhangen met het schooltype/niveau.
 
Samenhangen tussen factoren op school- en leraarniveau en het welbevinden en de leerprestaties van leerlingen
Het welbevinden van de leerling in de klas hangt vooral samen met de mate waarin de leerkracht of mentor volgens de leerling regels hanteert en structuur biedt en de mate waarin deze goed uitleg geeft en stimuleert. In het voortgezet onderwijs is daarbij ook het schooltype/niveau van belang: in het vwo is het welbevinden gemiddeld hoger dan in het vmbo. Er is geen duidelijk aanwijsbare samenhang tussen het welbevinden van de leerling en resultaten van de door de leerkrachten en mentoren ingevulde vragenlijsten. Verder valt op dat er weinig samenhang is tussen het door de leerlingen gerapporteerde welbevinden en de door de observatoren gegeven waarderingen. Bij de toetsresultaten zijn vooral variabelen op leerlingniveau van invloed en konden geen duidelijke factoren op klas-/leraarniveau of schoolniveau worden aangewezen.


Lees deze publicatie


Terug