Sinds 2020 voor het voortgezet onderwijs en 2021 voor het basisonderwijs is de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen (MRvNS) van kracht. Met de wet zijn de regels aangepast voor het stichten van nieuwe scholen. Op hoofdlijnen geldt dat wanneer initiatiefnemers voldoende belangstelling voor hun school kunnen aantonen en voldoende onderwijskwaliteit aannemelijk kunnen maken, zij een nieuwe school mogen stichten. Een consortium van Oberon, Kohnstamm Instituut en KBA Nijmegen evalueerde de wet in opdracht van het ministerie van OCW over de periode juli 2021 tot en met oktober 2025. De bevindingen zijn gebaseerd op procesdata van DUO en de Inspectie, registerdata, vragenlijsten en interviews met initiatiefnemers, gemeenten en andere betrokkenen.
Meer nieuwe scholen, vooral in het basisonderwijs
De wet heeft geleid tot een duidelijke toename van het aantal nieuwe basisscholen: van gemiddeld 14 naar 26 per jaar (inclusief verzelfstandigingen). Zonder verzelfstandigingen gaat het om gemiddeld 18 nieuwe basisscholen per jaar. Ruim twee derde daarvan wordt opgericht door bestaande schoolbesturen. Voor het voortgezet onderwijs is er nog geen duidelijk verschil te zien tussen het aantal gestichte scholen vóór en na invoering van de wet MRvNS. Het gaat in beide gevallen om kleine aantallen nieuwe scholen.
Selectie werkt: kwaliteit van startende scholen is overwegend goed
Een belangrijk doel van de wet is dat alleen levensvatbare en kwalitatief goede scholen daadwerkelijk van start gaan. Dit lijkt te werken: minder kansrijke initiatieven vallen in eerdere fasen al af. Meestal is er sprake van zelfselectie: ruim de helft van de initiatiefnemers dient uiteindelijk geen aanvraag in omdat zij weten dat er te weinig belangstelling is van ouders. Een kwart van de aanvragen die worden ingediend, wijst de minister af: de helft vanwege een negatief advies van de Inspectie over de verwachte onderwijskwaliteit en de andere helft vanwege onvoldoende belangstelling. Het negatieve advies van de Inspectie is meestal gebaseerd op tekortkomingen in de uitwerking van het vak Burgerschap. Scholen die mogen starten, laten in het eerste of tweede schooljaar overwegend voldoende kwaliteit zien. Verzelfstandigingen en splitsingen doorlopen het proces vaker en succesvoller dan volledig nieuwe scholen, maar ervaren de administratieve last als zwaarder. Omdat zij vanuit een bestaande situatie opereren, voelt het aanleveren van allerlei documenten als onnodig.
Huisvesting blijft een groot knelpunt
Het tijdig vinden van geschikte huisvesting ervaren veel gemeenten en initiatiefnemers van nieuwe scholen als een groot knelpunt. Driekwart van de nieuwe scholen start in tijdelijke huisvesting, en bij een derde daarvan is bij de opening nog geen zicht op definitieve huisvesting. Bovendien komt ruim twee vijfde van de scholen (tijdelijk) terecht in een ander postcodegebied dan bij de aanvraag beoogd. Hoewel dit vooralsnog geen meetbaar effect heeft op de groei van leerlingenaantallen, ervaren sommige initiatiefnemers dit wel als een knelpunt bij de werving van leerlingen.
Leerlingstromen en segregatie
De patronen rondom leerlingstromen lijken sterk op de situatie van vóór de wet: een kwart tot een derde van de nieuwe basisscholen trekt voornamelijk kinderen die nog niet eerder naar school gingen, terwijl ongeveer de helft een groot deel van de leerlingen betrekt uit één nabijgelegen school. Omliggende schoolbesturen maken zich zorgen over de continuïteit van bestaande scholen als leerlingaantallen teruglopen.
Op het gebied van segregatie is geen duidelijk effect toe te schrijven aan de wet MRvNS. In het basisonderwijs is een zeer beperkte toename van segregatie zichtbaar, maar omdat trendlijnen schommelen onder invloed van allerlei (demografische) ontwikkelingen, is deze stijging niet direct te relateren aan de start van nieuwe scholen. In het voortgezet onderwijs is het aantal gestarte scholen te beperkt om gevonden effecten op segregatie aan de wet MRvNS toe te schrijven. In twee middelgrote steden is segregatie naar inkomen en herkomst wel toegenomen na opening van twee nieuwe scholen, maar dat kan ook het gevolg zijn van andere lokale ontwikkelingen.
Hieronder is het rapport te downloaden
Auteurs: dr. Loes van Druten, Daniëlle van Helvoirt MSc